Vandaag is niet perfect

Vandaag is niet perfect

Vandaag is niet perfect,
Er is nog altijd overal angst.
Slechte nieuwsberichten worden nog steeds overal opgezegd,
Iedereen lijkt om ter bangst.
Dit is van alle tijden,
Vandaag is niet perfect.
Maar laat je niet misleiden,
Dit werd vroeger ook al gezegd.
Belangrijker is dat sprankje hoop,
Dat weten de melaatsen van Molokaï.
Hun held liep niet met zijn goede daden te koop,
Denk goed aan dit bijzondere detail.
Perfectie bestaat niet of is niet groot,
Toen hij daar aankwam met die overzetboot.
Wist hij dat niets er perfect zou zijn,
Toch genoot hij ervan om voor hen te zorgen,
Voor zowel groot als klein.
Niets was hem te veel,
Dat deed hij alle dagen hij had zijn goede moed niet opgeborgen.

Karolien Borghlevens

Damiaan: zalig! (IV)

EPILOOG: God stoot niemand af

Hij is kinderlijk en argeloos
hij begrijpt de taal van
de wijsgeer en wetenschap niet
en klinkt als rinkelend bekken
bezit is voor hem vergankelijk en ijl
maar niet de droom van een betere wereld.

Men vindt hem ’s nachts
in een metrostation
bij een brug langs de Seine
naast het bed van een kind
dat bevriend is geraakt met de dood
tussen puin en naamloze graven.

Een klankbord is hij,
een dak, een stuk brood,
een handvol warmte en troost
gehuld in het groen van de hoop.

Misschien is hij Damiaan,
niet toevallig verzeild
in een tijd
die om gekke en dwarse heiligen
schreeuwt.

(Wouter De Bruyne, Misboekje Zaligverklaring P. Damiaan, 4 juni 1995)

Damiaan: zalig! (III)

HET NU:  Hoop

Ik zag je
berustend en weerloos
je woning een nest van karton
je rimpels verwarmd
door een donzig deken van kranten.

Ik zag je
berustend en weerloos
achter een venster in Mostar
je blik gericht
op een eindeloos niets.

Ik zag je
berustend en weerloos
je oog gedrenkt in een web van muskieten
je lijf een skelet
de honger als roofdier.

Ik zag je
berustend en weerloos
de ziekte bijtend als zuur
aan je ziel en je leden
de dood als welkome vriend.

Ik wist dat je Christus was
met een wisselend gelaat.

Tallozen gingen voorbij
voor hen was je zelfkant
een schaap uit de kudde gebannen.

Maar anderen reikten hun hand
die had de kleur van de hoop.

(Wouter De Bruyne, Misboekje Zaligverklaring P. Damiaan, 4 juni 1995)