Een zee van bootjes

Een kleine groep bootjes,
Vaart naar de kust van Molokaï.
Een zieke neemt de peddels in handen,
Brengt hen naar de parelwitte stranden.
Het schip maakt rechtsomkeer.
Geen weg naar huis meer.
Zoute tranen over hun wangen,
De pijn van het naar huis verlangen.
Geen moeder meer,
Geen vader.
Wachten op hun ontmoeting met de Heer.
Hun voeten raken voor het eerst het zand,
Van dat lange witte strand.
Dit is het einde,
Maar ook het begin.

Karolien Borghlevens

Een bijzonder Damiaangedicht

Aan Pater Damiaan

Uw bronzen silhouet, o Damiaan,
Reusachtig rijst ze, hoger dan de rots
Verheven, waakzaam, als een baken Gods
Te midden d’eind’loosheid van de oceaan…

Uw reuzenleven straalt uit heel uw staan:
Het kruis omvat ge hoopvol, kalm en trots,
Uw rechterhand beschermt wie slechts ’t geklots
Der golven troostte bij ’t stervende vergaan…

Verhef ons, Damiaan, ons jonge schaar,
Die streeft en strijdt, verbeten, om uw deugd:
Gegrepen, lijk wij zijn, in uw gebaar

Naar God op, maar de steun van uwe vreugd
Ontbeert, om sterk bij lijfs-en zielsgevaar,
Melaatsen op te voeren tot een jeugd.

Gedicht van Jaak Nouwen (1938-1994), leerling van poësis (voorlaatste jaar van de humaniora, nu 5de middelbaar) aan het Damiaancollege in Aarschot, geschreven op 1 maart 1956.

Een bijzonder pianopaar

In de kerk stond een piano,
Een oud instrument.
Damiaan vroeg aan een melaatse,
Of hij nog eens wou spelen.
Met slechts drie vingers aan elke hand,
Was het moeilijk.
Niet alle noten konden gespeeld worden,
Op het gepaste moment.
Het lukt niet,
Zei de man een beetje triest.
Tot een andere man naast hem kwam zitten.
Ook met drie vingers aan elke hand,
Samen speelden ze,
Mooie muziek echode door de kerk.
Alleen konden ze niet spelen,
Maar als je iets samen doet,
Dan lukt dat even goed.

Karolien Borghlevens

Een klein eiland

Molokaï,
Een eiland heel klein.
Toonde dat wie klein is,
Ook groot kon zijn.
Zieken kwamen aan op het strand,
Verstoten uit hun eigen vaderland.
Eilandbewoners kwamen hen tegemoet,
Met vers voedsel,
Een aardig woord,
Dat ze van hun priester hadden gehoord.
Behandel elke nieuweling,
Zoals je beste vriend.
Geef de ontvangst die je zelf zou willen,
Grootsheid in kleine daden.

Karolien Borghlevens

Stralen zonder de zon

De zon staat hoog aan de hemel,
Haar stralen raken iedereen.
Rijke mensen,
Maar zeker ook de armen.
Maar alleen bij speciale mensen,
Zal ze ook het hart verwarmen.
Molokaï baadde in het zonlicht,
Vele dagen op een jaar.
Stralen van het licht,
In ieders gezicht.
Maar op grauwe dagen,
Zonder zon,
Was er slechts een gezicht,
Dat mooi stralen kon.

Karolien Borghlevens

Helpende handen

Een helpende hand,
Ver van dit kleine land.
Maakte het verschil voor iedereen,
Maar hij deed dit niet alleen.
Damiaan zag zijn melaatsen niet enkel als zieken,
Hij zag ook talenten.
Een paar handen ook zonder tien vingers,
Kon nog altijd dingen doen,
Piano spelen of een stevig huis bouwen,
Samen, zeker niet alleen,
Kregen ze weer een beetje vertrouwen.
Dit was een verhaal van lang geleden,
Maar daarom niet van een heel ver verleden.
Als iedereen helpt,
Bestaan er niet enkel beperkingen.

Karolien Borghlevens

(Copyright afbeelding: kunstenaar Dries Vanwijnsberghe)

Onder de Pandanusboom

Groene bladeren als beschutting,
Geen echt dak maar een van de natuur.
Zo was Damiaans eerste slaapplaats op Molokai,
Een pandanusboom stevig in de grond.
Zorgde ervoor dat hij niet volledig,
Onder een met sterren bedekte hemel sliep.
Een deken van groene bladeren,
Bescherming van de natuur.
Niet alle denkbare warmte,
Maar ze deden wat ze konden.
Zo was Damiaan ook voor zijn mensen,
Hij had geen oplossing voor elk probleem.
Maar hij was er voor hen en deed zijn best,
Zwakte en sterkte schuilen soms dicht bij elkaar.

Karolien Borghlevens