Tremelore

Tremelore,

Alwaar een uitzonderlijk man ooit werd geboren
Zijn wieg stond in Ninde
Een eenvoudige thuis
Een verre bestemming
Werd zijn eeuwig huis

Damiaan,
Zijn blijkveld reikte verder dan bekrompen
Wars van vleierij en klerikaal verwaand
Religieus in lompen

Materialistisch denken en aardse hengsels
Konden hem niet bekoren
Het was bij de zieken, verschoppelingen
Aan wie hij zou behoren.

Wij melaatsen
Doordrongen intiem,
Paradijselijke dumpplaatsen
Verdoemd mensdom
Veruitwendigde Zijn rijkdom
In diepe gedrochten van lijden
Werd hij een met de zijnen.

Ereburger van Tremelo
Opmerkelijk verwaarloosbaar ego
Gekoesterd in talrijke harten
Getart door onnoemelijke smarten
Kleine daden, zielsverbonden
Tedere liefde, onomwonden.

Damiaan,
In onbaatzuchtigheid
Zijn wilskracht en eenvoud
Verbindt ons in deemoedige nederigheid.

Greet Van Moer, dorpsdichteres van Tremelo 2016-2017

Advertenties

Een zee van bootjes

Een kleine groep bootjes,
Vaart naar de kust van Molokaï.
Een zieke neemt de peddels in handen,
Brengt hen naar de parelwitte stranden.
Het schip maakt rechtsomkeer.
Geen weg naar huis meer.
Zoute tranen over hun wangen,
De pijn van het naar huis verlangen.
Geen moeder meer,
Geen vader.
Wachten op hun ontmoeting met de Heer.
Hun voeten raken voor het eerst het zand,
Van dat lange witte strand.
Dit is het einde,
Maar ook het begin.

Karolien Borghlevens

Damiaangebed

God,
woorden en daden van liefde en barmhartigheid
hebt Gij ons getoond in en door het leven van Pater Damiaan.
Uw Zoon Jezus, onze Heiland en Verlosser,
uw voorbeeld aan de mens getrouw,
heeft hij niet voor zichzelf geleefd maar voor anderen.
Geheel heeft hij zich gegeven aan zijn melaatse medemens:
hij bracht vertroosting waar anderen leden,
hoop waar wanhoop heerste,
zorgende liefde waar anderen achteloos voorbijgingen.
Leer ons, wij bidden U, zoals Pater Damiaan
de zorg voor de gekwetste medemens in het hart te dragen,
getuigend in woord en daad, van de Liefde die Gij zijt. Amen.

Pater Paul Macken, picpus (1927-2015)

 

Een bijzonder Damiaangedicht

Aan Pater Damiaan

Uw bronzen silhouet, o Damiaan,
Reusachtig rijst ze, hoger dan de rots
Verheven, waakzaam, als een baken Gods
Te midden d’eind’loosheid van de oceaan…

Uw reuzenleven straalt uit heel uw staan:
Het kruis omvat ge hoopvol, kalm en trots,
Uw rechterhand beschermt wie slechts ’t geklots
Der golven troostte bij ’t stervende vergaan…

Verhef ons, Damiaan, ons jonge schaar,
Die streeft en strijdt, verbeten, om uw deugd:
Gegrepen, lijk wij zijn, in uw gebaar

Naar God op, maar de steun van uwe vreugd
Ontbeert, om sterk bij lijfs-en zielsgevaar,
Melaatsen op te voeren tot een jeugd.

Gedicht van Jaak Nouwen (1938-1994), leerling van poësis (voorlaatste jaar van de humaniora, nu 5de middelbaar) aan het Damiaancollege in Aarschot, geschreven op 1 maart 1956.