Een zee van bootjes

Een kleine groep bootjes,
Vaart naar de kust van Molokaï.
Een zieke neemt de peddels in handen,
Brengt hen naar de parelwitte stranden.
Het schip maakt rechtsomkeer.
Geen weg naar huis meer.
Zoute tranen over hun wangen,
De pijn van het naar huis verlangen.
Geen moeder meer,
Geen vader.
Wachten op hun ontmoeting met de Heer.
Hun voeten raken voor het eerst het zand,
Van dat lange witte strand.
Dit is het einde,
Maar ook het begin.

Karolien Borghlevens

Damiaangebed

God,
woorden en daden van liefde en barmhartigheid
hebt Gij ons getoond in en door het leven van Pater Damiaan.
Uw Zoon Jezus, onze Heiland en Verlosser,
uw voorbeeld aan de mens getrouw,
heeft hij niet voor zichzelf geleefd maar voor anderen.
Geheel heeft hij zich gegeven aan zijn melaatse medemens:
hij bracht vertroosting waar anderen leden,
hoop waar wanhoop heerste,
zorgende liefde waar anderen achteloos voorbijgingen.
Leer ons, wij bidden U, zoals Pater Damiaan
de zorg voor de gekwetste medemens in het hart te dragen,
getuigend in woord en daad, van de Liefde die Gij zijt. Amen.

Pater Paul Macken, picpus (1927-2015)

 

Een bijzonder Damiaangedicht

Aan Pater Damiaan

Uw bronzen silhouet, o Damiaan,
Reusachtig rijst ze, hoger dan de rots
Verheven, waakzaam, als een baken Gods
Te midden d’eind’loosheid van de oceaan…

Uw reuzenleven straalt uit heel uw staan:
Het kruis omvat ge hoopvol, kalm en trots,
Uw rechterhand beschermt wie slechts ’t geklots
Der golven troostte bij ’t stervende vergaan…

Verhef ons, Damiaan, ons jonge schaar,
Die streeft en strijdt, verbeten, om uw deugd:
Gegrepen, lijk wij zijn, in uw gebaar

Naar God op, maar de steun van uwe vreugd
Ontbeert, om sterk bij lijfs-en zielsgevaar,
Melaatsen op te voeren tot een jeugd.

Gedicht van Jaak Nouwen (1938-1994), leerling van poësis (voorlaatste jaar van de humaniora, nu 5de middelbaar) aan het Damiaancollege in Aarschot, geschreven op 1 maart 1956.

Een bijzonder pianopaar

In de kerk stond een piano,
Een oud instrument.
Damiaan vroeg aan een melaatse,
Of hij nog eens wou spelen.
Met slechts drie vingers aan elke hand,
Was het moeilijk.
Niet alle noten konden gespeeld worden,
Op het gepaste moment.
Het lukt niet,
Zei de man een beetje triest.
Tot een andere man naast hem kwam zitten.
Ook met drie vingers aan elke hand,
Samen speelden ze,
Mooie muziek echode door de kerk.
Alleen konden ze niet spelen,
Maar als je iets samen doet,
Dan lukt dat even goed.

Karolien Borghlevens