De stem van God

Damiaan aan het woord:

Je kunt tegen een mens niet zeggen dat God van hem houdt terwijl de wormen uit zijn wonden kruipen en je daar niets aan doet. Je kunt niemand vertellen dat Christus hem verlost heeft en gelukkiger wil maken terwijl hij kermt van de pijn en je daar niets aan doet. Je kunt niet beweren dat God iedereen uitnodigt in de hemel terwijl de mensen die naar je luisteren in een hel leven en je daar niets aan doet! Je kunt niemand “het brood des levens” geven terwijl diezelfde mensen bedorven voedsel te eten krijgen en je daar niets aan doet!
Toen ik de eerste nacht onder de pandan lag en naar de sterren keek terwijl ik de gebeurtenissen van de voorbije dag overdacht, ging mij plots een licht op: ik was de stem van God om de mensen te troosten, ik was de handen van God om hun wonden te verzorgen, ik was de oren van God om naar hun klachten te luisteren, ik was het hart van God om van hen te houden.

Uit: Herman Van Campenhout, damiaan@godmail.com, Sint-Niklaas: Abimo Uitgeverij, 2009, p.81

 

Damiaan door Johannes Wickert

Johannes Wickert, kunstenaar van Duitse afkomst maar woonachtig in ons land, zorgde voor illustraties bij een gids waarin de roepingsgeschiedenis van Jozef De Veuster tot de heilige Damiaan van Molokaï wordt geschetst . Hij heeft gekeken naar pater Damiaan en hij laat ons genieten van wat hij heeft gezien: Jozef De Veuster die zijn leven verliest om het in Christus te vinden. De rode draad doorheen dit roepingsverhaal vormt een vers uit het evangelie dat de jonge Jozef aan het denken heeft gezet: ‘Wie zijn leven wil redden, zal het verliezen. Maar wie zijn leven verliest om Mijnentwil zal het vinden.’ (Matteus 16, 25). In de schilderijen van Johannes Wickert wordt deze rode draad verbeeld in het goddelijke blauw. Damiaan vindt de aanzet voor het leven dat Jezus hem wil geven in de Bijbel, in de vreugde om zijn roeping, in de tedere omhelzing van de melaatse. Als Damiaan zelf melaats is geworden, heeft hij het leven in Christus ontvangen. Met Paulus roept hij uit: ‘Ikzelf leef niet meer, Christus leeft in mij.’ (Gal 2, 20).

Copyright Johannes Wickert

Copyright Johannes Wickert

Je ziet de groei in de roeping aan verschillende elementen op de schilderijen: de ogen van Damiaan gaan stilaan meer open tot ze stralend staan omdat hij in het gelaat van de melaatse, de blik van Christus ontmoet. Je kunt de groei ook aflezen in het kleine twijgje dat bloesems krijgt en uiteindelijk rijpe vruchten geeft. Je ziet het ook aan het gelaat van Damiaan dat van ernstig over uitbundig naar gelukzalig groeit. Je ziet het ook aan zijn voeten: eerst zijn ze nog beschermd door schoeisel, dan worden het blote dansende voeten en uiteindelijk de voeten van ‘wij melaatsen’. Hij verliest op het eerste zicht, maar vindt honderdvoudig leven.

Het oor van Damiaan valt op: wie het leven wil vinden, moet luisteren: luisteren naar het Woord Gods, luisteren naar de goddelijke muziek, luisteren naar de zieke. Het oor van Damiaan staat groot open om te ontvangen en vol te stromen van het leven dat God hem geeft. Dat leven betekent hoop voor wie zonder hoop zijn. De achtergrond kleurt van donker of blauw naar de kleuren van de regenboog. Het verbond van God tekent zich af in het leven van Damiaan.

Luc Van Hilst

Voor een afdrukbare versie, klik Johannes Wickert schildert Damiaan

Molokaï in feeststemming

In maart 1874 kwam de Nederlandse pater André Burgerman Damiaan vervoegen in de melaatsennederzetting van Molokaï. Hij zou er blijven tot augustus 1880.
In april 1874 kreeg de nederzetting koninklijk bezoek. De Hawaiiaanse krant The Pacific Commercial Advertiser berichtte dat een grote menigte koning Kalakaua en koningin Kapiolani op de kade kwam begroeten met hartelijke aloha’s. De band met trommel- en fluitspelers maakte het welkom helemaal af. Een heer uit het koninklijk gezelschap merkte de vaardigheid en beheersing op waarmee de muzikanten hun instrumenten bespeelde. De schoonheid en levendigheid van de door hen voortgebrachte klanken stak schril af bij hun door de lepra getekende en misvormde gezichten. De vrolijke muziek deed maar vreemd aan in zulk onherbergzaam ballingsoord.

Rustaltaar tijdens de sacramentsprocessie, ingekleurde glasdia, Molokaï, anoniem, omstreeks 1900.

Rustaltaar tijdens de sacramentsprocessie, ingekleurde glasdia, Molokaï, anoniem, omstreeks 1900.

 

Enkele weken later was de nederzetting alweer in feeststemming. Dan vond immers de processie voor Sacramentsdag plaats. Dit jaarlijkse katholieke feest wordt door gelovigen wereldwijd gevierd op de tweede donderdag na Pinksteren. Op Molokaï groeide dit katholiek feestje uit tot een oecumenische happening avant la lettre. Pater André beschrijft deze heuglijke dag voor de nederzetting in geuren en kleuren:

De processie op Sacramentsdag was allermooist. (…) Om drie uur in de namiddag kwam de processie op gang; deze was opgedeeld in drie groepen. In de eerste groep werden drie spandoeken gedragen (…) De tweede groep, die opstapte na het draagbare altaar, werd gevormd door het muziekkorps, het vrouwenkoor en het mannenkoor. In de derde groep werd het Heilig Sacrament meegedragen. (…) Muzikanten in blauw uniform sloten de stoet af. Gedurende de ganse processie werd fanfaremuziek afgewisseld met gezang door nu eens het vrouwenkoor dan weer het mannenkoor. De andere gelovigen baden heel de tijd door de rozenkrans. De gehele leprozerie was op de been; ook de protestanten volgden eerbiedig, of ontblootten het hoofd wanneer het Heilig Sacrament werd voorbijgedragen; er waren zelfs enkelen die mee opstapten in de processie. Toen we terug bij de kerk kwamen waren onze arme zangeressen en zangers zo uitgeput, dat we ons tevreden hebben gesteld met de zegen met het Allerheiligste en het plechtige Te Deum maar achterwege gelaten hebben (Brief 15 juni 1874).

Ruben Boon