Het geheim van Damiaan

De Indiase geweldloze activist en hindoe Mahatma Gandhi (1869-1948) vroeg zich al af waarin het geheim lag van Damiaans leven in dienst van de door de maatschappij uitgestoten zieke mensen op Molokaï. Waar haalde hij toch de kracht vandaan zijn leven te delen met de melaatsen op Molokaï met wie niemand zich nog wilde inlaten? Damiaan schrijft erover in een brief aan pater Generaal: “Hier zit ik dus, Hoogeerwaarde Pater, te midden van mijn dierbare melaatsen. Ze zijn wel afschuwelijk om te zien, maar ze hebben een ziel, vrijgekocht door het aanbiddenswaardige bloed van onze Goddelijke Zaligmaker. Ook hij heeft, in zijn goddelijke liefde, de melaatsen getroost. Als ik hen niet kan genezen zoals hij dat deed, dan kan ik hen tenminste troosten.”(Brief Damiaan aan pater generaal, augustus 1873).

In Jezus’ voetsporen

Het staat zwart op wit: Damiaan wil in Jezus’ voetsporen gaan. En om dat voor elkaar te krijgen, oefent hij zichzelf in zien met nieuwe ogen, in kijken met het hart. Zoals ieder mens van vlees en bloed moet hij zijn weerzin overwinnen bij het zien van de door ziekte misvormde gezichten en het verzorgen van de vieze wonden. Hij probeert evenwel door dat afstotende aangezicht heen de blik van een medemens te ontwaren. Ze zien er dan wel niet uit (mensenogen) maar ze hebben wel een ziel (de bril van God). Hij staat voor een onmogelijke opdracht, hij geeft het zelf toe: ik kan ze niet genezen! En toch denkt geen haar op zijn hoofd eraan weg te gaan. Kan hij hen niet genezen, dan zal hij er alles aan doen om hen te troosten.

Hij zal bij hen wonen

God laat geen mens verloren gaan. God laat geen mens in de steek. “Gods woonplaats is onder de mensen, hij zal bij hen wonen”, lezen we in het Boek van de Openbaring van Johannes, “Hij zal alle tranen uit hun ogen wissen. Er zal geen dood meer zijn, geen rouw, geen jammerklacht, geen pijn, want wat er eerst was is voorbij”. Als Damiaan in mei 1873 in de melaatsennederzetting van Molokaï aankomt, is hij onthutst door wat hij er ziet. Hij spreekt van een levend kerkhof, de zieke Hawaiianen van een plek waar geen wet nog van kracht is. Dat hij begint aan het onmogelijke, gelooft in het ongelofelijke en blijft hopen dat het kan, dat hij volhoudt, stand houdt waar mensen leven om te sterven, verklaart hij zelf als volgt: “Ik ben gestorven en mijn leven is met Christus verborgen in God (vgl. Kol. 3.3)”.

Damiaan2

Copyright Damiaan Vandaag

 

In de liefde wonen

God is liefde, en wie in de liefde blijft, blijft in God en God blijft in hem”, lezen we in de Eerste brief van Johannes (1 Joh 4, 16). En niets, geen ziekte, geen ballingschap, geen pijn of verdriet, niets kan ons scheiden van Gods liefde, stelt Paulus ons gerust (Rom 8, 38-39). Het is die in onze ogen nogal abstracte Goddelijke liefde die Damiaan zo tastbaar en voelbaar maakte voor zijn melaatse medemensen op Molokaï. Zijn zieke vrienden hebben die liefde leren kennen, omdat hij zijn leven voor hen heeft gegeven, in de voetsporen van Jezus, zijn grote voorbeeld (naar 1 Joh 3, 16). “Dit is mijn taak op deze wereld”, getuigt hij aan een bezoeker, “Vroeg of laat zal ik melaats worden, maar wellicht niet voordat ik mijn mogelijkheden ten volle heb benut voor het welzijn van mijn onfortuinlijke zieke kinderen. Ik poog hen bij te staan op geestelijk en materieel vlak en ook als verzorger van hun lichamelijke wonden”.

Mens worden

Damiaan krijgt het voor elkaar dankzij die goddelijke liefde die in hem werkzaam is. Die goddelijke liefde die je telkens weer opnieuw in staat stelt mens te worden en te zijn voor je medemens die je op jouw levenspad tegenkomt. De toets van de goddelijke liefde is de menswording!
Kerkvader Augustinus (354-430) schrijft hierover het volgende: “Niemand heeft ooit God gezien. God is onzichtbaar, en Hij moet niet met het oog maar met het hart gezocht worden. Er is iets dat wij voor ogen mogen voeren, als wij God zouden zien. Namelijk: God is liefde. Maar wat voor soort gezicht heeft liefde? Wat voor vorm heeft ze? Wat voor gestalte? Wat voor voeten? Wat voor handen? Niemand kan dat met zekerheid zeggen. Maar toch: ze zou voeten moeten hebben, want die brengen een mens naar anderen toe. En handen, want die strekken zich uit naar de armen. En ogen, want die kunnen de nood van een ander zien. Het gaat me hierbij niet om lichaamsdelen in fysieke zin, maar om de liefde die alles ziet en omvat. Verblijf in de liefde en zij zal in jouw verblijven. Bewoon haar en zij zal jou bewonen”.

Geef ogen, handen en voeten aan de liefde

De goddelijke liefde krijgt voeten, handen en ogen. De goddelijke liefde wordt mens. Doorheen leven en werk van Damiaan krijgt die goddelijke liefde een herkenbaar menselijk gestalte. Die goddelijke liefde staat niet ver van ons. Ze kan zelfs bij ons komen wonen als we de deur van ons bang en verlegen hartje op een kier durven zetten. Zo op de drempel van Pasen, nodigt Damiaan ons uit in de voetsporen van Jezus, zijn grote voorbeeld, even stil te staan bij wat menswording kan betekenen en hoe we vandaag handen, voeten en ogen kunnen geven aan die mysterieuze goddelijke liefde!

Ruben Boon
Afbeelding: copyright Damiaan Vandaag

Advertenties

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s