Een zakje knikkers

Ik ben altijd gelukkig en tevreden en, hoewel goed ziek, verlang ik niets anders dan Gods wil moge geschieden. Bid voor mij en laat bidden; ik strompel zo zoetjes aan naar mijn graf“, schrijft Damiaan aan zijn broer Pamfiel bijna twee maanden voor zijn dood. Wat een vreemd geluk ervoer hij toch ondanks pijn en verdriet, lijden en dood. In de Navolging van Christus schrijft Thomas à Kempis: “De Heer zegt: Heel belangrijk is de liefde, een groot goed. Alleen de liefde zorgt ervoor dat je ook de kracht vindt om zware lasten te dragen en die lasten te dragen die normaal niet te dragen zijn. Liefde kan lasten dragen zonder het te voelen, en zij verandert een bittere smaak als het ware in een zoete en lekkere smaak” . Een goede maand voor zijn dood toen hij voelde hoe het leven stilaan weggleed uit zijn leden en de ziekte bezit nam van zijn lichaam, vond Damiaan zo de kracht om een bestelling te plaatsen: knikkers voor de kinderen. Want achter het kleinste detail gaat vaak de grootste liefde schuil.

 

Het geheim van Damiaan

De Indiase geweldloze activist en hindoe Mahatma Gandhi (1869-1948) vroeg zich al af waarin het geheim lag van Damiaans leven in dienst van de door de maatschappij uitgestoten zieke mensen op Molokaï. Waar haalde hij toch de kracht vandaan zijn leven te delen met de melaatsen op Molokaï met wie niemand zich nog wilde inlaten? Damiaan schrijft erover in een brief aan pater Generaal: “Hier zit ik dus, Hoogeerwaarde Pater, te midden van mijn dierbare melaatsen. Ze zijn wel afschuwelijk om te zien, maar ze hebben een ziel, vrijgekocht door het aanbiddenswaardige bloed van onze Goddelijke Zaligmaker. Ook hij heeft, in zijn goddelijke liefde, de melaatsen getroost. Als ik hen niet kan genezen zoals hij dat deed, dan kan ik hen tenminste troosten.”(Brief Damiaan aan pater generaal, augustus 1873).

In Jezus’ voetsporen

Het staat zwart op wit: Damiaan wil in Jezus’ voetsporen gaan. En om dat voor elkaar te krijgen, oefent hij zichzelf in zien met nieuwe ogen, in kijken met het hart. Zoals ieder mens van vlees en bloed moet hij zijn weerzin overwinnen bij het zien van de door ziekte misvormde gezichten en het verzorgen van de vieze wonden. Hij probeert evenwel door dat afstotende aangezicht heen de blik van een medemens te ontwaren. Ze zien er dan wel niet uit (mensenogen) maar ze hebben wel een ziel (de bril van God). Hij staat voor een onmogelijke opdracht, hij geeft het zelf toe: ik kan ze niet genezen! En toch denkt geen haar op zijn hoofd eraan weg te gaan. Kan hij hen niet genezen, dan zal hij er alles aan doen om hen te troosten.

Hij zal bij hen wonen

God laat geen mens verloren gaan. God laat geen mens in de steek. “Gods woonplaats is onder de mensen, hij zal bij hen wonen”, lezen we in het Boek van de Openbaring van Johannes, “Hij zal alle tranen uit hun ogen wissen. Er zal geen dood meer zijn, geen rouw, geen jammerklacht, geen pijn, want wat er eerst was is voorbij”. Als Damiaan in mei 1873 in de melaatsennederzetting van Molokaï aankomt, is hij onthutst door wat hij er ziet. Hij spreekt van een levend kerkhof, de zieke Hawaiianen van een plek waar geen wet nog van kracht is. Dat hij begint aan het onmogelijke, gelooft in het ongelofelijke en blijft hopen dat het kan, dat hij volhoudt, stand houdt waar mensen leven om te sterven, verklaart hij zelf als volgt: “Ik ben gestorven en mijn leven is met Christus verborgen in God (vgl. Kol. 3.3)”.

Damiaan2

Copyright Damiaan Vandaag

 

In de liefde wonen

God is liefde, en wie in de liefde blijft, blijft in God en God blijft in hem”, lezen we in de Eerste brief van Johannes (1 Joh 4, 16). En niets, geen ziekte, geen ballingschap, geen pijn of verdriet, niets kan ons scheiden van Gods liefde, stelt Paulus ons gerust (Rom 8, 38-39). Het is die in onze ogen nogal abstracte Goddelijke liefde die Damiaan zo tastbaar en voelbaar maakte voor zijn melaatse medemensen op Molokaï. Zijn zieke vrienden hebben die liefde leren kennen, omdat hij zijn leven voor hen heeft gegeven, in de voetsporen van Jezus, zijn grote voorbeeld (naar 1 Joh 3, 16). “Dit is mijn taak op deze wereld”, getuigt hij aan een bezoeker, “Vroeg of laat zal ik melaats worden, maar wellicht niet voordat ik mijn mogelijkheden ten volle heb benut voor het welzijn van mijn onfortuinlijke zieke kinderen. Ik poog hen bij te staan op geestelijk en materieel vlak en ook als verzorger van hun lichamelijke wonden”.

Mens worden

Damiaan krijgt het voor elkaar dankzij die goddelijke liefde die in hem werkzaam is. Die goddelijke liefde die je telkens weer opnieuw in staat stelt mens te worden en te zijn voor je medemens die je op jouw levenspad tegenkomt. De toets van de goddelijke liefde is de menswording!
Kerkvader Augustinus (354-430) schrijft hierover het volgende: “Niemand heeft ooit God gezien. God is onzichtbaar, en Hij moet niet met het oog maar met het hart gezocht worden. Er is iets dat wij voor ogen mogen voeren, als wij God zouden zien. Namelijk: God is liefde. Maar wat voor soort gezicht heeft liefde? Wat voor vorm heeft ze? Wat voor gestalte? Wat voor voeten? Wat voor handen? Niemand kan dat met zekerheid zeggen. Maar toch: ze zou voeten moeten hebben, want die brengen een mens naar anderen toe. En handen, want die strekken zich uit naar de armen. En ogen, want die kunnen de nood van een ander zien. Het gaat me hierbij niet om lichaamsdelen in fysieke zin, maar om de liefde die alles ziet en omvat. Verblijf in de liefde en zij zal in jouw verblijven. Bewoon haar en zij zal jou bewonen”.

Geef ogen, handen en voeten aan de liefde

De goddelijke liefde krijgt voeten, handen en ogen. De goddelijke liefde wordt mens. Doorheen leven en werk van Damiaan krijgt die goddelijke liefde een herkenbaar menselijk gestalte. Die goddelijke liefde staat niet ver van ons. Ze kan zelfs bij ons komen wonen als we de deur van ons bang en verlegen hartje op een kier durven zetten. Zo op de drempel van Pasen, nodigt Damiaan ons uit in de voetsporen van Jezus, zijn grote voorbeeld, even stil te staan bij wat menswording kan betekenen en hoe we vandaag handen, voeten en ogen kunnen geven aan die mysterieuze goddelijke liefde!

Ruben Boon
Afbeelding: copyright Damiaan Vandaag

Aankomst in een nieuw vaderland

Na een zeereis van bijna 5 maanden gaat de driemaster R.W. Wood  op 19 maart 1864, het feest van Sint-Jozef, voor anker in de haven van Honolulu [titelafbeelding: Haven van Honolulu, 1857, door F.H. Burgess] en zet Damiaan voet aan wal op kade. Hij is maar al te blij dat hij de onstuimige winden, grote stormen en de woelige zee overleefd heeft. In momenten van grote beproeving voelde hij de bijstand van de Goddelijke Voorzienigheid en de gebeden van het thuisfront. Immers, had de Heer zijn apostelen en zijn missionarissen immers niet beloofd bij hen te blijven tot het einde der tijden? Nu was het grote moment daar: de aankomst in zijn nieuwe vaderland.

Overdonderd en tegelijk zielsgelukkig pent de kersverse missionaris zijn eerste indrukken neer in een brief aan zijn ouders:

Ik kan u onmogelijk beschrijven hoe tevreden en blij het hart van een missionaris is, wanneer hij – na een overtocht van bijna 5 maanden, waarin hij samen moet leven met ketters en zelfs ongelovigen [het gaat hier om de protestantse bemanningsleden van het schip], die hun oren dichtstoppen zo gauw je begint te praten over onze heilige godsdienst – de kust ziet van je nieuwe vaderland, dat hij elke dag met zijn zweetdruppels moet besproeien om die onbeschaafde mensen voor de goede God te winnen.

Op 19 maart om 8 uur ’s morgens kwamen we aan in de hoofdstad van de Sandwich-eilanden [Hawaii-eilanden]. Toen we met een sloep aan land gingen, kwam een groot aantal halve zwarte mensen van alle kanten toegelopen om ons te zien. Ze stonden erg verbaasd bij het zien van die katholieke missionarissen, vooral de tien in het wit geklede Zusters.

Kathedraal Honolulu, copyright Damiaan Vandaag

Kathedraal Honolulu, copyright Damiaan Vandaag

Pater Modest, overste van de missie, stond ons daar op te wachten: hij bracht ons direct naar de kathedraal, voor een H. Mis met Te Deum, om God te danken voor de gelukkige overtocht. Daarna kwamen alle bekeerlingen ons begroeten. De twee eerste dagen heb ik meer dan 1000 mensen een hand gegeven. De eerste zondag was het stichtend te zien hoe godvruchtig de kerkgangers zich gedroegen. ’s Morgens in de eerste twee missen waren er meer dan 300 communicanten. In de hoogmis ging bisschop Maigret voor, een oude en versleten man die hier al meer dan dertig jaar is. Pater Herman liet zijn Hawaiiaans koor prachtig zingen. Zoiets heb ik nooit eerder gehoord.

Bisschop Louis Maigret, copyright Damiaan Vandaag

Bisschop Louis Maigret, copyright Damiaan Vandaag

Een derde van de eilandengroep is intussen katholiek. Onder de katholieken vindt men zeer godsvruchtige mensen. Meestal dragen ze hun paternoster om de hals. De Hawaiianen zoeken niet naar goud en zilver. Ze denken niet zozeer aan de dag van morgen. Ze zijn al tevreden met voldoende taro, eten, dat niet te duur is. Van hun kleding maken zij geen spel. De mannen dragen niet veel meer dan een broek en een soort van hemd. De vrouwen hebben een lang, loshangend kleed. Ze dragen geen hoed en lopen zonder schoeisel. De Hawaiianen hebben een goed hart. Je hoeft niet bang te zijn bestolen te worden. Bijna alles is gemeenschappelijk hier.

Groep jongeren die op traditionele  manier met de handen 'poi' eten. Copyright Damiaan Vandaag

Groep jongeren die op traditionele manier met de handen ‘poi’ eten. Copyright Damiaan Vandaag

 

Heeft iemand geen eten, dan schuift hij bij andermans tafel aan. Hun huizen zijn meestal in hout opgetrokken, althans in de stad. Buiten de stad wonen ze in kleine hutten. De vloer is bedekt met een mat waarop de ganse familie gewoonlijk slaapt, eet en werkt. De taal schijnt niet echt moeilijk te zijn. Binnen vijf maanden hoop ik te kunnen preken in het Hawaiiaans. Ik studeer de taal elke dag.

Hawaiianen voor een traditionele grashut. Copyright Damiaan Vandaag

Hawaiianen voor een traditionele grashut. Copyright Damiaan Vandaag

Ziehier lieve ouders al het bijzonderste dat ik voor het moment kan zeggen over mij nieuwe thuisland. Later als ik de gelegenheid heb, hoop ik u er meer over te schrijven. Nu moet ik u nog iets vragen. Bid alsjeblieft veel voor mij. Ik sta immers op het punt priester gewijd te worden … Ja, lieve ouders, vraag de goede God dagelijks voor mij dat ik mag blijven volharden, dat ik een goed missionaris mag zijn, en, na lang in de wijngaard van de heer gewerkt te hebben, in uw gezelschap mag komen om voor altijd die goede God te aanschouwen. Broeder Damiaan

Wie was Damiaan?

De kapeldeur stond op een kier. In een oogwenk vloog de deur open en een jonge priester stapte over de drempel om ons welkom te heten. Zijn toog was versleten en verschoten, zijn haar zat in de war als bij een schooljongen, zijn handen waren gevlekt en eeltig door zwaar werk, maar gezondheid straalde van zijn gezicht en heel zijn manier van doen had iets jongensachtig. Zijn luide lach, zijn gulle sympathie en zijn inspirerende aantrekkingskracht zijn de typische kenmerken van iemand die onder alle omstandigheden goed werk doet en die, in dit geval, een terrein heeft gekozen waar hij het allerbeste werk kan doen. Dat was Pater Damiaan, de priester die zichzelf had verbannen, de enige gezonde man te midden van zijn kudde melaatsen.

We werden met aandrang uitgenodigd om bij hem te blijven eten. De goeie ziel, hij wist dat hij ons uitnodigde aan de allersoberste van alle maaltijden, maar we waren geweldig welkom om te genieten van het beste dat hij had. Toen wij hem zeiden, dat er op dat moment elders een maaltijd voor ons werd klaargemaakt en dat we heel de reis vanaf Honolulu boter, meel en andere delicatessen met ons hadden meegesleept, stond hij erop een kip aan ons menu toe te voegen, met zijn beste wensen en zijn zegen.

Nadat hij met een paar woorden de groep lepralijders uit elkaar had laten gaan (…) haalde hij uit zijn huisje een handvol graankorrels. Hij strooide wat korrels uit op de grond van het kerkhof en maakte daarbij een heel apart geluid. In een oogwenk kwamen van alle kanten zijn kippen aangevlogen. Het leek wel alsof zij in zwermen uit de hemel kwamen vallen. Ze streken neer op zijn armen en pikten de korrels weg uit zijn handen. Ze vochten om een plekje op zijn schouders en zelfs op zijn hoofd. Ze overdekten hem met liefkozingen en met veren. Hij stond tot aan zijn knieën middenin een troep hoenders waar iedere kippenfokker jaloers op zou zijn. Ze waren zijn trots en zijn speelgoed. Toch offerde hij een koppel ervan op het altaar van de vriendschap en liet ons in vrede heengaan. Dat nu was Pater Damiaan in Kalawao.

In 1884 bracht de Amerikaanse professor en schrijver Charles W. Stoddard een bezoek aan de melaatsennederzetting van Molokaï. Hij schreef zijn indrukken neer in een beklijvend en meeslepend werkje getiteld The Lepers of Molokai (1886). Bovenstaand fragment komt uit dit boekje dat Damiaan wereldwijd bekendheid gaf.

Een bijzondere vrijwilliger

In deze week van de vrijwilliger (28 februari tot 8 maart 2015) staan we graag even stil bij een bijzondere vrijwilliger.

Op zondag 4 mei 1873 verliet hij zijn werkplek op het eiland Hawaii (Hawaii-eilanden) om een kerkwijding op het naburige eiland Maui bij te wonen. Na de kerkwijding hield de bisschop zijn missionarissen nog even samen om een prangende kwestie de bespreken: de miserabele toestand van de melaatsen op het eiland Molokaï. Ze hadden nood aan iemand die hen nabij was en zich om hen bekommerde. Vier jonge missionarissen boden zich vrijwillig aan. Hij ging als eerste naar de melaatsennederzetting van Molokaï. Hij zou er uiteindelijk de komende zestien jaar van zijn leven geven aan deze mensen uit de samenleving verbannen. Hij was vastbesloten. Immers, wie zichzelf zo spontaan geeft, krijgt het honderdvoud terug. Zo staat het geschreven. Ja, het werd zijn levenswerk. “Ik ben gelukkig mijn arme , ongelukkige, en verbannen mensen te kunnen helpen en troosten”, zo schrijft hij aan zijn familie, vrienden en collega’s. En zoals het bezielde vrijwilligers kenmerkt, deed hij alles met hart en ziel, dag en nacht. “Zijn werkzaamheden namen nooit een einde. Van de Mis in de vroege morgen tot lang nadat zijn parochianen waren gaan slapen, was hij bezig. Als hij dan tenslotte toch zijn bed had opgezocht, lag hij nog dikwijls wakker, plannen makend voor de toekomst of wachtend tot hij geroepen werd om de angst van zieken of stervenden te verlichten” (getuigenis Charles Warren Stoddard 1886). “Toen hij de eerste nacht onder de pandanusboom lag en naar de sterren keek terwijl hij de gebeurtenissen van de voorbije dag overdacht, ging hem plots een licht op: hij was de stem van God om de mensen te troosten, hij was de handen van God om hun wonden te verzorgen, hij was de oren van God om naar hun klachten te luisteren, hij was het hart van God om van hen te houden”. (naar Herman Van Campenhout, damiaan@godmail.com, Sint-Niklaas: Abimo Uitgeverij, 2009, p.81).

Dat deze bijzondere vrijwilliger iedereen mag blijven inspireren tot een troostend woord, een helpende hand, een luisterend oor, een liefhebbend hart. Zo spontaan. Zo menselijk. Zo hartverwarmend.

Ruben Boon

Copyright afbeelding: “Father Damien of Molokai”
door Peggy Chun, Magdalena Hawajska en de studenten van Holy Trinity School, Hawaii