Deze mens spreekt aan…

“Sinds dat ik een tiener ben stap ik af en toe eens binnen om even op adem te komen in de crypte van pater Damiaan.
Wat me aantrekt is de geborgenheid die de grafkapel schept – als een moederschoot in een levende stad – en waar ik mijn hart opnieuw hoor slaan. De lucht lijkt er iets ijler, maar dat is eigen aan een kelder waar verfrissing gezocht wordt. In die zacht verlichte ruimte, en heerlijk is het wanneer in de zomer zonnestralen een gloed door de gekleurde ramen op de stenen vloer werpen, gaat sinds jaren mijn aandacht onmiddellijk uit naar de grote wandfoto van pater Damiaan .

Heldhaftigheid en nederigheid in een sublieme combinatie in één beeld gevat. Deze mens spreekt aan. Als tiener begon ik over hem te lezen. Hij intrigeerde me, hij daagde me uit tot een leven dat een gave wordt voor de ander. Ik heb geworsteld met deze gevoelens van opoffering. Dat lijkt bovenmenselijk. Ook het grafschrift liet me lang met een raadsel achter : “Ik vind mijn grootste geluk den Heer te dienen in zijne arme en zieke kinderen die van de andere mensen verstoten worden.”

Want hoe kan het dat iemand zijn ‘grootste geluk’ vindt in het zorgen voor anderen die dan nog verstoten worden? Ligt dat grootste geluk niet in een carrière, een groot huis, een flinke gezondheid, een stralende familie,… De logica van pater Damiaans woorden begreep ik maar een tijd later toen ik op een avond Jezus’ woorden las: ‘Ik had honger en je hebt Me te eten gegeven, ik had dorst en je hebt Me te drinken gegeven,… telkens wanneer je dit voor één van de minste broeders van Mij hebt gedaan, heb je het voor Mij gedaan.‘ (cfr. Mt. 25).

Toen vielen de schellen van mijn ogen. Ik begreep dat Damiaan in de arme, zieke, verstotene een vindplaats van God gevonden had. Dat maakte de hele beleving van het leven en relaties nieuw. Ik ervaarde het in mijn leven want telkens ik me een beetje wegcijferde voor de ander geeft me dit een vreugde. Ik ontdekte dat deze vreugde en vrede er geen ander adres op de aarde te vinden is, dan wel in deze houding waarbij de ander regelmatig voorrang op mezelf krijgt. Ik ontdekte het op de bus wanneer ik mijn plaats afstond aan een oudere dame, ik leerde het in de sportles wanneer ik als eerste atleet bij de groepssamenstelling de zwakkere medeleerlingen koos voor de sterkere leerlingen, en zo een glimlach en verbazing ontlokte op het gelaat van de eerst gekozenen.

Toen dan het moment aangekomen was om een levenskeuze te maken, was ik doorheen de jaren gegroeid in geloof en begreep ik dat wie veel geeft, nog veel meer ontvangt. Als Damiaan koos ik om priester te worden, en verlangde ook avonturier te zijn, weliswaar niet in Molokaï maar hier in mijn eigen land. En zo is het dat ik nu enkele jaar priester ben, en nog steeds regelmatig naar die zalige ruimte afdaal waar diegene begraven ligt, die me ooit vriendelijk uitgedaagd heeft, en die ik nu met een instemmende glimlacht begroeten mag.”

Filip Hacour

Copyright afbeelding: Damiaan Vandaag

Advertenties

Biechten vanuit een bootje

Toen Damiaans overste pater Modeste met een schip vol ossen en schapen op weg was naar de melaatsenkolonie en ernaar uitkeek Damiaan te zien, kreeg hij van de kapitein te horen dat er niemand aan of van boord kon gaan. Het vee zou gelost worden en dan zou de kapitein rechtsomkeer maken. Damiaan hield het niet langer en roeide met een kano naar het schip. Hij sprak zijn biecht in het Frans vanuit zijn wankele kano. In de Damiaanfilm van Paul Cox wordt deze scene mooi in beeld gebracht, al is het hier Damiaans bisschop die de biecht afneemt.

 

Een gevangene van zijn eigen roeping

Toen Damiaan op 10 mei 1873 aankwam in de melaatsenkolonie van Molokaï, bewoog hij zich vrij over het ganse eiland Molokaï. Hij bezocht en bediende ook andere parochies buiten de nederzetting. Hij ging geregeld naar Honolulu om te vergaderen met zijn oversten, te biechten en om de zusters te bedanken voor hun materiële hulp aan de melaatsen. Dat heen en weer gereis van de ‘held van Molokaï’ bleef niet onopgemerkt. Damiaan kroop er bovendien mee door de fijne mazen van de strenge quarantainewetgeving van de Hawaiiaanse overheid. Ongewild deed hij zo afbreuk aan het gezag van de Hawaiiaanse gezondheidsraad die er alles aan deed om de lepraziekte in te dijken en verspreiding tegen te gaan. Zoals te verwachten viel, kreeg Damiaan begin september 1873 dan ook een brief van de secretaris van de Gezondheidsraad. Hij las erin dat hij niet langer, ook al was hij dan gezond en wel, de leprozerie mocht verlaten.

In 1873 verstrengde de quarantainewetten. Gezonde helpers (kokua) van doodzieke melaatsen werden niet langer toegelaten. Wie voortaan de melaatsennederzetting wilde bezoeken, moest daarvoor de officiële toestemming krijgen. De bootladingen zieken namen evenwel niet af. Dit strenge verbod maakte van Damiaan een gevangene van zijn eigen roeping. In een brief aan zijn broer schrijft Damiaan het volgende:

Meer dan 2000 melaatsen werden verbannen, daarvan zijn er 800 nog in leven. Onder hen een aantal brave getrouwe christenen alsook een redelijk aantal nieuw gedoopten. Deze instelling had duidelijk nood aan een residerend priester alhoewel dit niet zo’n gemakkelijke zaak was. Alle communicatie met de nederzetting is strikt verboden tenzij men aanvaardt zich hier, samen met de bannelingen te laten opsluiten. Daar ik op de dag van mijn geloften reeds onder het baarkleed heb gelegen, was ik ervan overtuigd het mijn plicht te zijn mezelf aan te bieden bij zijne Excellentie. Die zoals hijzelf heeft gezegd niet zo wreed was zulk een offer op te leggen in naam van de gehoorzaamheid. (Brief aan Pamfiel, 25 november 1873)

Copyright afbeelding: Damiaan Vandaag

Moeder Marianne Cope (1838-1908): Heilige van Molokai

“Moeder Marianne Cope” is geboren in Duitsland in de stad Heppenheim. Zij is sinds 21 oktober 2012 heilig verklaard te Rome . Zij verrichtte zoals “ Pater Damiaan De Veuster” baanbrekend werk in Hawaii op het eiland Molokai. Haar pionierswerk begon reeds als jonge Franciscaanse zuster in de jaren 1863 in de staat New York en sinds 1883 in de uitzonderlijke zorg in een hospitaal voor melaatsen op de Sandwich eilanden in Honolulu, Hawaii.

Haar weg staat voor emigratie en missie.

In november 1888 komt zij op het eiland Molokai terecht waar zij met de doodzieke “ Pater Damiaan” intens zal samenwerken in de uitbouw van de nieuwe nederzetting van het Bishop Home van Kalaupapa. Later zal zij in 1889, na de dood van Pater Damiaan, de supervisie van het jongenstehuis , het “Baldwin Home” mede op zich nemen.

Marianne Cope bij opgebaarde Damiaan. Copyright Damiaan Vandaag

Marianne Cope bij opgebaarde Damiaan, 1889. Copyright Damiaan Vandaag

Dertig jaar lang , tot aan haar dood werkte zij dag en nacht samen met haar medezusters , tussen leprapatiënten, kinderen en volwassenen , even heldhaftig als de “vader van de melaatsen” maar met meer professionalisme.

Tot op vandaag inspireert zij ons als religieuze vrouw , vooruit zijnde op haar tijd, door haar bezield leiderschap en deskundige aanpak.

Haar optimisme, sereniteit en Godsvertrouwen inspireerde hoop in diegenen die rond haar waren en verminderde de angst om melaats te worden. Zij leerde haar medezusters dat hun eerste plicht was het leven aangenaam te maken van hen die hard te lijden hadden door die verschrikkelijke ziekte van melaatsheid. Men kon niet weggaan zonder beïnvloed te zijn van de zachte en vredevolle invloed van haar grote en edele geest. Haar tegenwoordigheid leek iemands vermoeide hart te vullen met nieuw leven en de ontmoedigde geest weer kracht te schenken.

Marianne Cope in rolstoel enkele dagen voor haar overlijden, 1918. Copyright Damiaan Vandaag

Marianne Cope in rolstoel enkele dagen voor haar overlijden, 1918. Copyright Damiaan Vandaag

Zij bekeek vaak het kruisbeeld . Zij herinnerde zich Jezus woorden : “Neem je kruis op en volg mij.” Het gaat niet langs een pad van rozen, neen ’t is geen gemakkelijke weg, maar een weg die bezaaid is met doornen en rozen.

In één van haar laatste brieven schreef zij : “ik wacht later niet op een hoge plaats in de hemel. Ik zal dankbaar zijn voor een klein hoekje daar waar ik God mag loven in eeuwigheid”.

Zuster José Vivys, zuster van de Heilige Harten

(Copyright uitgelichte afbeelding: Damiaan Vandaag)

Postscriptum

In het postscriptum bij zijn afscheidsbrief van 30 oktober vertelt hij zijn ouders voor wie de foto’s die hij in Parijs voor zijn vertrek laat maken, bestemd zijn: “Mijn allerliefste ouders, als bedanking voor al het goeds dat jullie hebben gedaan voor mij, stuur ik jullie mijn ingekaderd portret. Jullie kunnen het gaan halen in het klooster in Leuven. De Parijse fotograaf zal jullie nog 20 andere kleinere opsturen. Van deze twintig geven jullie de helft aan Pamfiel om te verdelen onder de confraters in Leuven. Van de 10 andere geven jullie er één aan Gérard, één aan Léonce, één aan Stance, één aan Vincky, één aan onze pastoor, één aan de Vanlangendoncks, één aan de nonkels. De twee andere bewaren jullie maar voor in jullie gebedenboek. Ik stuur ook dadelijk een brief aan Pauline waarbij ik er haar meteen ook één geef”.
En zo bleef hij dankzij zijn foto toch altijd een beetje bij hen van wie hij zoveel hield.

Naar de missies? Eerst op de foto!

Voor zijn vertrek naar de missies liep Damiaan in Parijs langs bij een fotograaf. Hij liet daar twee portretten schieten en meerdere grote en kleine afdrukken maken.

Foto 1

copyright Damiaan Vandaag

copyright Damiaan Vandaag

Damiaan neemt plechtstatig de pose van Franciscus Xaverius aan. Hij kijkt recht in de lens. Zijn gelaat staat strak. Zijn blik is beduusd. Er spreekt tegelijk vertwijfeling en vurig ongeduld uit. Damiaan is gekleed in een traditioneel zwart priesterkleed en draagt zijn fijne ijzeren brilletje. Zijn slappe priesterhoed ligt bij de Bijbel op de zuil. De zuil, de balustrade en de Bijbel maken deel uit van de stock aan attributen van fotograaf Houdet.

Foto 2

copyright Damiaan Vandaag

copyright Damiaan Vandaag

Damiaan kijkt naar links. Zijn blik blijft formeel. Hij geeft geen krimp en toont zich vastberaden. Hij omklemt het kruis stevig in de linkerhand. Zijn rechterhand rust op de zuil met de gekende attributen. Onder zijn linkerarm houdt hij een klein boekje. Misschien de Regel van de Congregatie van de Heilige Harten? Kruis en boekje drukt hij haast symbolisch op het hart.